Wat is een hoogtemeting in funderingsonderzoek?
Een hoogtemeting, ook wel waterpassing genoemd, bepaalt het hoogteverschil tussen meetpunten. In funderingsonderzoek is het de basis onder meerdere metingen.
Een fundering zelf zie je meestal niet. Wat je wel kunt meten, is hoe de bovenbouw erop reageert. Als een deel van een woning meer zakt dan een ander deel, liggen lijnen die ooit horizontaal waren niet meer op één hoogte. Een hoogtemeting maakt dat zichtbaar door op een reeks punten de hoogte te bepalen en die met elkaar te vergelijken.
Deze pagina legt het principe uit dat onder verschillende metingen ligt. Hoe het in de praktijk gaat bij een gevel of vloer, lees je in de uitgebreide artikelen over lintvoegwaterpassing en vloerveldwaterpassing.
Wat is het verschil tussen een relatieve meting en een meting ten opzichte van NAP?
Bij een relatieve meting worden punten onderling vergeleken ten opzichte van een zelfgekozen referentiepunt; bij een meting ten opzichte van NAP worden hoogtes gekoppeld aan het landelijke referentievlak.
| Relatief | Ten opzichte van NAP | |
|---|---|---|
| Referentie | Eén vast punt aan of bij de woning | Normaal Amsterdams Peil, het landelijke referentievlak |
| Geschikt voor | Vervorming van één gevel of vloer in beeld brengen | Hoogtes vergelijken met kaarten, omgeving of eerdere metingen elders |
| Aandachtspunt | Het referentiepunt moet bij herhaling terug te vinden zijn | Vraagt om aansluiting op een bekend hoogtemerk |
Voor het beoordelen van vervorming van een woning is een relatieve meting vaak voldoende: het gaat erom of de ene hoek lager ligt dan de andere. Een koppeling aan NAP is vooral nuttig als je de woning wilt vergelijken met de omgeving, zoals bij het maaiveld of bij gegevens over bodemdaling.
NAP staat voor Normaal Amsterdams Peil: het referentievlak waarmee hoogtes in Nederland onderling vergelijkbaar worden gemaakt. Kaarten van terreinhoogte en waterpeilen gaan hier meestal van uit.
Lees meer over bodemdalingWaarom is het referentiepunt zo belangrijk?
Alle gemeten hoogtes zijn alleen vergelijkbaar als ze naar hetzelfde vaste punt verwijzen. Wie later opnieuw meet, moet datzelfde punt terug kunnen vinden.
Een referentiepunt is het nulpunt van de meting. Bij een gevel kan dat een herkenbaar punt in het metselwerk zijn, bij een vloer bijvoorbeeld een drempel of een vast punt bij de voordeur. De keuze wordt vastgelegd op de tekening of in het rapport. Voor een eenmalige meting is dat handig; voor een herhaalmeting is het essentieel. Ligt het referentiepunt zelf op een deel van de woning dat beweegt, dan beweegt het hele meetbeeld mee. Dat is een van de redenen waarom de interpretatie van hoogtemetingen vakwerk is.
Met welke instrumenten wordt gemeten?
Hoogtes worden gemeten met een waterpasinstrument of een vergelijkbaar digitaal of laserinstrument, eventueel aangevuld met een meetlat.
Het principe is al eeuwen hetzelfde: vanaf één horizontale zichtlijn wordt op elk meetpunt afgelezen hoe ver dat punt erboven of eronder ligt. Moderne digitale en laserinstrumenten maken het aflezen en vastleggen eenvoudiger, maar de kwaliteit van de meting hangt nog steeds af van een goede opstelling, zorgvuldige keuze van meetpunten en het controleren van de uitkomsten.
Het instrument bepaalt niet de waarde van de meting. Belangrijker is dat de meetpunten representatief zijn en dat het resultaat in samenhang met de woning wordt geïnterpreteerd.
Waar wordt hoogtemeting voor gebruikt?
In funderingsonderzoek wordt het principe vooral toegepast op de lintvoeg van gevels, op de begane grondvloer en op het maaiveld rondom de woning.
Lintvoeg
Een doorlopende horizontale metselvoeg is destijds vrijwel waterpas gemetseld. Hoogteverschillen langs die voeg laten ongelijke zakking van de gevel zien. Zie lintvoegwaterpassing.
Vloerveld
Een raster van meetpunten over de begane grondvloer geeft een hoogtekaart per vertrek. Zie vloerveldwaterpassing.
Maaiveld
De hoogte van het terrein rond de woning kan iets zeggen over bodemdaling of inklinking in de omgeving. Zie maaiveldhoogte.
Hoe verloopt een hoogtemeting?
Een hoogtemeting volgt een vaste volgorde: referentiepunt kiezen, meetpunten bepalen, meten, controleren en verwerken tot een profiel of kaart.
- Referentiepunt vastleggenEen vast, herkenbaar punt wordt gekozen en beschreven.
- Meetpunten bepalenLangs de gevel, over de vloer of rond de woning, met extra punten bij hoeken, kozijnen en aansluitingen.
- MetenPer punt wordt het hoogteverschil ten opzichte van het referentiepunt bepaald.
- ControlerenOpvallende waarden worden nagekeken op meetfouten of lokale verstoringen, zoals hermetseld werk.
- VerwerkenDe uitkomsten worden een hoogteprofiel, grafiek of hoogtekaart die in het rapport wordt toegelicht.
Wat kan een hoogtemeting wel en niet aantonen?
Een hoogtemeting toont vervorming op het moment van meten. De oorzaak, de staat van de fundering en het tempo van eventuele beweging blijven daarmee nog open.
Wel
- Welke delen hoger of lager liggen
- Het patroon: geleidelijk aflopend, een lagere hoek of een knik
- Een vastgelegde uitgangssituatie voor herhaling
Niet
- Of de beweging nog doorgaat
- Wat de oorzaak is
- Hoe de palen of het hout eraan toe zijn
Houd er ook rekening mee dat lintvoegen en vloeren bij de bouw nooit volmaakt vlak zijn uitgevoerd. Een verschil is daarom niet automatisch een zakking. Of de beweging doorgaat, laat een zettingsmeting met herhaalmetingen zien.
Hoe past hoogtemeting binnen fase 0 en fase 1?
Hoogtemetingen zijn onderdeel van fase 1. In fase 0 wordt eerst beoordeeld of meten zinvol is.
In een quickscan wordt nog niet gemeten, maar wordt wel gekeken naar signalen die op ongelijke zakking kunnen wijzen. Is daar aanleiding voor, dan volgen in fase 1 de hoogtemetingen. Een overzicht van alle metingen vind je op funderingsmetingen.
Voorbeeld: hoogteverschil in gevel én vloer
Twee hoogtemetingen die hetzelfde beeld geven, versterken elkaar; tegenstrijdige uitkomsten vragen om een nadere verklaring.
Bij een jaren-dertigwoning laat de lintvoegwaterpassing zien dat de achterste hoek van de zijgevel lager ligt dan de voorkant. De vloerveldwaterpassing in de achterkamer toont een helling naar dezelfde hoek. Dat samenvallende beeld maakt ongelijke zakking aan die kant aannemelijker dan wanneer alleen de vloer scheef had gelegen; een houten vloer kan immers ook door de balklaag zelf doorbuigen.
